Duitse slagers ongelukkig met Tönnies-schandaal: “Dat vakmanschap mag primeren!”

Na de massale uitbraak van corona in het vleesbedrijf Tönnies, waar veel mensen tijdens de productie met het virus werden besmet, staat de vleesindustrie opnieuw onder vuur. Terecht, zegt Oliver Lutz, hoofd van het Starnberg slagersvereniging of slagersgilde. Toevallig openden zijn ouders in hetzelfde jaar dat Tönnies werd opgericht hun slagerij in Pöcking. Het familiebedrijf viert volgend jaar haar 50ste verjaardag en werd vorig jaar door een vakblad tot beste slagerij in Beieren verkozen.

Lutz maakt een duidelijk onderscheid tussen de vleesindustrie en de slagerij. “Het zwarte schaap zit niet in het slagersvak, maar in de industrie.” Dit is ook het standpunt van Otto Ruf, wiens slagerij in Seefeld al door de derde generatie wordt geleid. Elk schandaal “begint altijd met de industrie”, zegt hij, “en elke keer raakt dat het het hele ambacht in het volle hart”.

Wekelijkse slachtdag

Eenmaal per week wordt in de slagerij van Lutz geslacht. De laatste keer waren dat drie schapen, een koe, een os, een kalf en 16 varkens. Ter vergelijking: Bij Tönnies slacht men ongeveer 30.000 varkens – per dag. En de geslachte dieren van de slagers komen uit de regio. “Onze partners zijn allemaal boeren”, legt Lutz uit. Hij kent de boerderijen goed, Lutz heeft een deel van die zakelijke relaties gewoonweg van zijn vader overgenomen. “Ik was daar al bij betrokken toen ik in de lagere school zat” herinnert Lutz zich. De toeleveringsbedrijven hebben meestal maar zo’n 100 koeien. Georg Friedl jr., die pas in april zijn boerderij-slagerij in Inning opende, krijgt zijn vee en kalveren ook van zijn oom, die een agrarisch bedrijf in Inning heeft. Van de boerderij naar de slachtruimte is de transportafstand een kilometer, en het is slechts een paar stappen naar de boerderijwinkel.

Slagers ongelukkig met industrie

Geen van de ambachtelijke slagerijen is erg blij met de industriële vleesproductie, vooral niet met het prijsbeleid van de discounters. Ze willen geen goede aankoopprijs betalen aan hun partnerbedrijven (zonder dat kunnen de dieren geen toegang krijgen tot meer ruimte, goed voer, enz. ) maar ook hun eigen werknemers krijgen slechts een minimumloon. “Bij ons verdient een vaatwasser meer dan wat zo’n slachtbedrijf aan hun werknemers betaalt,” zegt Friedl. En onze medewerkers komen uit de regio! Bovendien is het sociaal statuut bij die industriële vleesbedrijven niet in orde. Het zijn zelfstandige onderaannemers. “ik denk dat dat een puinhoop is”, zegt slager Lutz – om nog maar te zwijgen van de accommodaties/huisjes waarin die mensen moeten leven.”

Waarom is het vlees goedkoop?

Lutz, Scholler, Ruf en Friedl hopen op een verandering in het denken. Lutz: “Het wordt tijd dat de bevolking zich realiseert waarom het vlees zo goedkoop is.” Als een bedrijf bijvoorbeeld elke dag vijfcijferige hoeveelheden dieren moet slachten om zijn aankoopcontracten na te komen, zal het de verantwoordelijken al snel niets meer kunnen schelen of de dieren al dan niet worden opgegeten. Bij vlees en charcuterie moet de nadruk liggen op kwaliteit en niet op kwantiteit.

Bron: Merkur

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*